Luka Handboek - Nederlandse vereniging van Luchtkanalenfabrikanten

[3.2.17] Flexibele slang

Functie
Een flexibele slang wordt toegepast in een luchttransportsysteem voor het aansluiten van een rooster, ventiel of roosterplenum op een luchtkanaal.

Materiaalkwaliteit en -diktes
Voor normale comfortventilatie worden flexibele slangen vervaardigd uit de volgende materialen:

  • Aluminium
    Voor het vervaardigen van aluminium flexibele kanalen wordt gebruikt gemaakt van aluminium band volgens NEN-EN 573. De dikte van het materiaal is afhankelijk van het type slang en van de leverancier. De minimale banddikte is 0,095 mm;
  • Aluminium folie
    De slang wordt samengesteld uit lagen aluminium- en polyesterfolie of aluminium polyester laminaat waarin een spiraaldraad is verwerkt. De dikte van het materiaal is afhankelijk van het type slang en van de leverancier;
  • Kunststof
    De slang wordt vervaardigd van een vezelversterkte synthetisch doek of van een vinyl gecoat weefseldoek, waarin een spiraaldraad is verwerkt. De dikte van het materiaal is afhankelijk van het type slang en van de leverancier.

De spiraaldraad is van staal; al dan niet verdekt liggend, eventueel voorzien van coating. Slangen zijn leverbaar in drie uitvoeringen:

  • ongeïsoleerd;
  • thermisch geïsoleerd;
  • akoestisch geïsoleerd.

Brandwerendheid
Indien gewenst dient de brandwerendheid opgegeven te worden volgens de brandclassificaties in de NEN-EN 13501-1.

Afmetingen
De verkrijgbare nominale afmetingen van de tussengebouwde flexibele slangen zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 13180 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel (zie tabel rechts). De afmetingen zijn afhankelijk van het fabricaat.
De flexibele slangen worden meestal geleverd in gecomprimeerde uitvoering. De slang dient uitgetrokken te worden voor gebruik. Na uittrekken van de slang, mag de lengte niet meer dan 3% korter zijn dan de door de leverancier opgegeven nominale lengte. De verkrijgbare lengten variëren per fabricaat en zijn verkrijgbaar van 1 tot 10 meter in uitgetrokken toestand. In gecomprimeerde toestand zijn de lengten 0,4 tot 3 meter, afhankelijk van het type slang en fabricaat. Er dient te worden gestreefd naar minimaal 0,5 tot maximaal 1,5 meter te gebruiken slang. Indien een grotere lengte moet worden toegepast, dient de slang op een correcte manier te worden gebeugeld.

Afkorten van ongeïsoleerde slangen:

  • Trek de slang goed uit; een niet volledig uitgetrokken slang leidt tot onnodig veel drukverlies;
  • Meet de juiste lengte af en markeer dit punt met een viltstift; gebruik nooit meer slang dan absoluut nodig is;
  • Snij tussen de spiraalwinding het materiaal over de volle omtrek door;
  • Gebruik een kniptang om de spiraal van de slang door te knippen;
  • Knip de overtollige spiraal weg.

Afkorten van geïsoleerde slangen:

  • Trek de slang goed uit; een niet volledig uitgetrokken slang leidt tot onnodig veel drukverlies;
  • Meet de juiste lengte af en markeer dit punt met een viltstift; gebruik nooit meer slang dan absoluut nodig is;
  • Snij met een scherp mes door de buitenmantel, het isolatiemateriaal en de binnenslang;
  • Snij de slang over de volle omtrek door en gebruik een kniptang om de spiraal van de binnenslang door te knippen;
  • Knip de overtollige spiraal weg;
  • Werkt met een schaar het eventueel overtollige isolatiemateriaal weg.

 

Montagevoorschriften
Monteren van ongeïsoleerde slangen:

  • Kort de slang op de juiste manier af;
  • Schuif de slang minimaal 40 millimeter over de aansluiting;
  • Zet vervolgens de slang vast met een stevige slangklem of door gebruik te maken van een tiewrap welke met een bijpassende tang, en voorgeschreven voorspanning, vastgezet dient te worden;
  • Ook mag de slang worden gemonteerd middels een zogenaamde “guso” ring. Dit dient wel te geschieden volgens de montagevoorschriften van de leveranciers.

vouwinstructie

Monteren van geïsoleerde slangen:

  • Kort de slang op de juiste manier af;
  • Duw het isolatiemateriaal en de buitenmantel een stukje terug en plak met tape de buitenmantel, inclusief het isolatiemateriaal, stevig en luchtdicht op de binnenslang;
  • Schuif de slang minimaal 40 mm over de aansluiting;
  • Gebruik bij voorkeur tape met een breedte van tenminste 50 mm;
  • Klem de buitenmantel met de binnenslang op de aansluiting vast met behulp van een stevige slangklem of door gebruik te maken van een tiewrap welke met een bijpassende tang, en voorgeschreven
  • voorspanning, vastgezet dient te worden;
  • Gebruik aluminium tape voor zuiver aluminium en aluminium folie slangen en gebruik kunststof tape voor kunststof slangen;
  • Ook mag de slang worden gemonteerd middels een zogenaamde “guso” ring. Dit dient wel te geschieden volgens de montagevoorschriften van de leveranciers.

h3_2_17f

Ophangpunten:

  • De maximale toelaatbare doorzakking van de slang, tussen twee bevestigingspunten, mag niet meer bedragen dan 50 mm (in het midden gemeten);
  • De onderlinge afstand tussen twee ophangpunten kan variëren tussen 1,5 en 3 meter. Deze maat is afhankelijk van het type slang dat wordt toegepast.

Beugeling:
Een slang is over het algemeen zeer flexibel en kan vrij eenvoudig worden vervormd. Door vervorming vermindert de inwendige diameter en wordt het drukverlies vergroot. Bij beugeling (door middel van bijvoorbeeld geperforeerde band) moet er daarom goed op worden gelet dat de slang niet in diameter wordt verkleind. Ondersteun tevens de slang minimaal over de halve omtrek.

Bochten:
Volgens NEN-EN 13180 dient de buigradius van een flexibel kanaal te voldoen aan R = d. Echter, deze minimale buigradius geeft een grote drukval. Vandaar dat gestreefd moet worden naar een zo ruim mogelijk genomen bocht. Voor flexibele slangen dient met een minimale buigradius aan te houden van R = d + 2 x de isolatiedikte. De fabrikanten adviseren een minimale buigradius van twee x de diameter (d). Dubbele bochten dienen te worden vermeden.

Aansluiting op kanalen en armaturen:
De aansluiting van flexibele slangen op kanalen en componenten moet met de nodige zorg worden uitgevoerd. Indien slangen direct na de aansluiting op het kanaal of het armatuur in een scherpe bocht worden gemonteerd, dient een ondersteunende beugel geplaatst te worden. Flexibele slangen kunnen bij een te “scherpe” kanaalaansluiting een breuk gaan vertonen. Bij aansluiting op lichtarmatuur c.q. luchtcomponent moet men een zo “direct” mogelijke aansluiting maken, wel met inachtneming van wat hierboven is beschreven. Teveel bochten in de slang doen het drukverlies onnodig oplopen en kunnen geluid veroorzaken. Een minimale buigradius geeft een grote drukval. Vandaar dat gestreefd moet worden naar een zo ruim mogelijk genomen bocht met een rechte aanzuig van 2 x de diameter (d). Voor flexibele slangen dient men een minimum buigradius aan te houden van R = d + 2 x de isolatiedikte. De leveranciers adviseren een minimale buigradius van twee maal de diameter. Dubbele bochten dienen te worden vermeden.

h3_2_17d

 

Statische elektriciteit:
In een aantal situaties kan, bij met name kunststof slangen, het opbouwen en ontladen van statische elektriciteit explosiegevaar opleveren. Door de spiraaldraad van de flexibele slang met een aardedraad te verbinden, kan de opbouw van statische elektriciteit worden geminimaliseerd. Deze werkzaamheden worden door derden uitgevoerd.

Isolatie
Thermisch geïsoleerde slang heeft een binnenslang volgens de omschreven ongeïsoleerde slang omschreven. De slang is omwikkeld met thermisch isolerend materiaal zoals glaswol of steenwol. Om de isolatie is een buitenmantel aangebracht van versterkt aluminium polyesterlaminaat, eventueel voorzien van een stalen spiraal.
Akoestisch geïsoleerde slang heeft een spiraalversterkte binnenslang van glasvezelgaas, omwikkeld met een akoestisch materiaal zoals glaswol of steenwol. Om de isolatie is een buitenmantel aangebracht van versterkt aluminium laminaat of kunststoffolie, eventueel voorzien van een stalen spiraal. Tussen de binnenslang en de isolatie kan optioneel een folielaag worden aangebracht die voorkomt dat deeltjes van de isolatie in het kanaal komen.

Luchtdichtheid
De optredende luchtlekkage van de luchttransportweg dient te worden beperkt om het energiegebruik van de luchtbehandelingsinstallatie te minimaliseren. Indien besteksmatig niet anders is aangegeven, hanteert Luka klasse C als luchtdichtheidseis. Flexibele slangen dienen daarom minimaal te voldoen aan luchtdichtheidsklasse C volgens NEN-EN 13180.

Duurzaamheidsaspecten
Trek de slang voor montage volledig uit; een niet volledig uitgetrokken slang leidt tot onnodig veel drukverlies en dus een hoger energiegebruik van de luchtbehandelingsinstallatie.