Luka Handboek - Nederlandse vereniging van Luchtkanalenfabrikanten

[3.1.4.1] Montagevoorschriften rechthoekige appendages

Rechthoekige appendages dienen te worden gemonteerd conform de voorschriften van de fabrikant. Deze montagevoorschriften voldoen aan de voorschriften NEN-EN 1505 t/m 1507. De componenten moeten zodanig worden bevestigd of opgehangen, dat ze een strak en stabiel geheel vormen met de luchtkanalen. Dit gebeurt met ophangconstructies die een zodanige sterkte moeten hebben, dat het totale gewicht door draadstangen naar de bouwkundige ophangpunten wordt overgebracht.
De ophanging wordt samengesteld uit een onderbeugel van sendzimir verzinkt materiaal (of ander materiaal, indien dit is omschreven in het bestek), voorzien van vilt of P.E.-band, met minimale afmetingen van 18 x 4 mm, met draadstangen minimaal M6 direct langs de appendage. De afstand tussen de draadstangen is maximaal 100 en minimaal 30 mm groter dan de kanaalbreedte, afhankelijk van de aanwezigheid van uitwendige isolatie. De beugel moet, voor en achter de appendage, op een minimale afstand van 100 mm en een maximale afstand van 400 mm worden gemonteerd en moet worden uitgevoerd in een profielvorm (zie onderstaande tabel) dan wel in een standaard handelsprofiel van voldoende sterkte, waardoor voldoende stijfheid wordt verkregen.

h3_1_4_1

Omdat flenzen van de luchtkanalen niet altijd overeenkomen met de flenzen van de appendages zijn er verschillende manieren om deze aan elkaar te koppelen.

  • Wanneer de flenzen uit dezelfde profielen bestaan, worden de hoeken voorzien van een bout + moerverbinding (minimaal M6 x 20) en/of van overslagprofiel in de lengte en breedte. Tussen de flenzen moet een afdichtingsband met gesloten celstructuur met minimale afmeting van 18 x 4 mm worden aangebracht, waarbij de band spanningsloos door de hoeken gaat of in de hoeken moet overlappen (zie 2.1.1.3);
  • Wanneer de flenzen niet uit dezelfde profielen bestaan, worden de hoeken voorzien van een bout + moerverbinding (minimaal M6 x 20) en van schroefklemmen op een onderlinge afstand van maximale 500 mm. Tussen de flenzen moet een afdichtingsband met gesloten celstructuur met minimale afmetingen van 18 x 4 mm worden aangebracht, waarbij de band spanningsloos door de hoeken gaat of in de hoeken moet overlappen.