Luka Handboek - Nederlandse vereniging van Luchtkanalenfabrikanten

[2.8.1] Het thermisch isoleren van rechthoekige en ronde luchtkanalen

2.8.1 Het inwendig isoleren van rechthoekige luchtkanalen

Inwendige isolatie kan alleen worden toegepast bij rechthoekige luchtkanalen. Bij ronde luchtkanalen kan er in principe alleen sprake zijn van uitwendige isolatie. Om vervuiling van de installatie en andere problemen te voorkomen wordt echter ten sterkste aanbevolen om luchtkanalen uitsluitend uitwendig te isoleren. Mocht er toch voor worden gekozen om rechthoekige kanalen inwendig te isoleren, dan kan men gebruik maken van de volgende materialen:

  • glas- of steenwol dekens met lange vezels en afgewerkt met beschermingsfolie tegen het loslaten van deze vezels. Meest voorkomende dikten 0,5” of 1” (13 of 26 mm);
  • gevulkaniseerde synthetische elastomeren, veelal met zelfklevende folie met een dikte van tussen 10 en 25 mm, afhankelijk van de toepassing en fabricaat.

2.8.1.1 Eigenschappen

De isolatiedekens dienen te voldoen aan de volgende eisen:

  • onbrandbaar, volgens DIN 4102, klasse 2 en brandvoortplanting, volgens NEN-EN 13501, klasse 1;
  • rookgetal: ≤1 (rookdichtheid verwaarloosbaar).

2.8.1.2 Verwerking isolatiedekens zonder zelfklevende folie

De isolatiedekens worden met contactlijm in het kanaal geplakt. Het volledige kanaaloppervlak wordt gelijmd met behulp van een roller of met behulp van spuitlijm. De contactlijm is te verwerken bij een temperatuur volgens opgave van de fabrikant/toeleverancier. De kanaalwand moet droog, schoon en vetvrij zijn om een goede hechting te verkrijgen. Ter extra bevestiging dienen er op de wanden van het kanaal, per m² wandoppervlak, minimaal 2 plakpennen, lasstiften of splittong pennen met afdekplaatje te worden aangebracht.

2.8.1.3 Afwerking

Op de kopse kanten van het kanaal dient de isolatie afgewerkt te worden met behulp van verzinkte plaatprofielen of kunststofprofielen. Dit ter voorkoming van het loslaten van de isolatie na het aan elkaar koppelen van kanaaldelen.

2.8.2 Het uitwendig isoleren van rechthoekige en ronde luchtkanalen

Uitwendig isoleren is onder te verdelen in drie hoofdstukken:
1. thermisch isoleren met behulp van glaswol- of steenwoldekens (zie 2.8.2.1);
2. thermisch isoleren met behulp van kunststof schuimrubber op basis van synthetisch rubber (elastomeer) (zie 2.8.2.2);
3. thermisch isoleren met behulp van glaswol- of steenwoldekens, afgewerkt met aluminium beplating (zie 2.8.2.3).

2.8.2.1 Het thermisch isoleren met behulp van glaswol- of steenwoldekens

Deze isolatie uitvoering wordt uitsluitend inpandig toegepast. Rechthoekige en ronde metalen luchtkanalen worden, afhankelijk van de toepassing, veelal uitwendig thermisch geïsoleerd met behulp van stevige glaswol- of steenwoldekens met een dikte van 25 mm. Deze dekens zijn opgebouwd uit rechtopstaande vezels, de zgn. lamellendeken, éénzijdig bekleed met een folie van versterkt puur aluminium (dikte 0,02 mm). Lamellen dekens zijn te verkrijgen zonder en met een zelfklevende folie. Bij rechthoekige kanalen wordt de isolatie tegen de isolatievulling aangebracht en op de ophangconstructie afgewerkt. De beugel, toegepast bij ronde kanalen, wordt binnen de isolatie opgenomen. De ophangconstructie bij rechthoekige kanalen valt dan buiten de isolatie. Hiertoe wordt tussen de ophangconstructie en de kanaalwand een isolatievulling met harde persing van gelijke dikte aangebracht en worden de naden dampdicht afgewerkt. Ook bestaat de mogelijkheid om de luchtkanalen op MDF-blokjes met een gelijke dikte als de isolatie te leggen. De isolatie dient dan wel doorgezet te worden tussen de blokjes (zie 2.10.3.1). Ook is het mogelijk om de luchtkanalen voor montage te isoleren. De isolatie wordt hierbij enigszins in de ophangbeugel gedrukt. Hierbij mag de beschermingsfolie om de isolatie niet scheuren.

2.8.2.1.1 Eigenschappen

De lamellen dekens dienen te voldoen aan de volgende eisen:

  • onbrandbaar, volgens DIN 4102, klasse A2 en brandvoortplanting volgens NEN EN 13501, klasse 1;
  • rookgetal: ≤ 1 (rookdichtheid verwaarloosbaar).

2.8.2.1.2 Verwerkingen van isolatiedekens zonder zelfklevende folie

De isolatiedeken moet op de volgende lengte worden afgesneden:
Voor rechthoekig kanaal:

  • L = 2x (kanaalbreedte + 2x isolatiedikte) + 2x (kanaalhoogte + 2x isolatiedikte) + overlap.

Voor een rond kanaal:

  • L = (diameter kanaal + 2x isolatiedikte) x 3,14 + overlap.

2.8.2.1.3 Verwerkingen van isolatiedekens met zelfklevende folie

Deze isolatie wordt toegepast in slecht geventileerde ruimten en vanwege het ontbreken van plakpennen bij, als zichtwerk, gemonteerde rechthoekige kanalen tot een breedte van 1200 mm. De isolatie moet op de volgende lengte worden afgesneden:
Voor rechthoekig kanaal:

  • L= 2x (kanaalbreedte + 2x isolatiedikte) + 2x (kanaalhoogte + 2x isolatiedikte) + overlap.

Voor een rond kanaal:

  • L= (diameter kanaal + 2x isolatiedikte) x 3,14 + overlap.

2.8.2.1.4 Plakken en afwerken bij rechthoekige kanalen (zonder folie)

De lamellen dekens worden met contactlijm op het kanaal geplakt. Het volledige kanaaloppervlak wordt gelijmd met behulp van een roller of met behulp van spuitlijm. De contactlijm dient men te verwerken bij temperaturen volgens opgave van de fabrikant/toeleverancier; bij voorkeur bij een temperatuur hoger dan ca. 0° C. De kanaalwand moet schoon, droog en vetvrij zijn om een goede hechting te verkrijgen tussen de isolatie en de kanaalwand. Om te voorkomen dat tijdens het drogen van de lijm de isolatie loslaat van het kanaalwand, dienen er bij de horizontaal gemonteerde luchtkanalen breder dan 600 mm, op de onderzijde en de zijwanden van het kanaal, per m² wandoppervlak, minimaal 2 plakpennen, lasstiften of splittongpennen met afdekplaatje te worden aangebracht. Bij verticaal gemonteerde kanalen dienen er op alle wanden breder dan 600 mm pennen te worden aangebracht. Het wordt aanbevolen om de isolatie precies tussen de flensverbindingen aan te brengen. Indien vanwege condensgevaar op de flens het toch noodzakelijk is de flenzen te isoleren, dient men een losse strook over de flensverbinding aan te brengen. De naden tussen de lamellen dekens worden met behulp van een aluminium all-weather-tape, met een breedte van 75 mm en een minimale kleefkracht op staal van tenminste 9N/25 mm², aan elkaar geplakt en daarna glad gestreken.

2.8.2.1.5 Plakken en afwerken bij rechthoekige kanalen (met folie)

Na de isolatie op de juiste maat te hebben afgesneden, wordt het schutvel over ca. 10 cm in de lengterichting verwijderd, waarna de isolatie op de juiste positie wordt aangebracht en over het gehele oppervlakte stevig wordt aangedrukt (let op, eenmaal aangedrukt kan de isolatie niet meer worden verschoven). Daarna het overige schutvel in fasen verwijderen en de isolatie telkens stevig over het totale oppervlak tegen de kanaalwand aandrukken. Het wordt aanbevolen om de isolatie precies tussen de flensverbindingen aan te brengen. Indien vanwege condensgevaar op de flens het toch noodzakelijk is de flenzen te isoleren, dient men een losse strook over de flensverbinding aan te brengen. Kanalen tot een breedte van 1200 mm hoeven niet voorzien te worden van plakpennen, lasstiften of splittong pennen.
De omgevingstemperatuur moet tijdens de verwerking liggen tussen +10° C en +50° C. De naden tussen de lamellen dekens worden met behulp van een aluminium ”all weather”-tape, met een breedte van 75 mm en een minimale kleefkracht op staal van tenminste 9N/25 mm², aan elkaar geplakt en daarna glad gestreken.

2.8.2.1.6 Plakken en afwerken bij ronde kanalen

Bij ronde luchtkanalen wordt geen gebruik gemaakt van spuitlijm en/of contactlijm. De isolatie wordt op de juiste lengte afgesneden en de overlap wordt gereed gemaakt door de isolatie van het aluminiumfolie los te snijden. Daarna worden de naden met behulp van onder 2.8.2.1.5 genoemde tape vastgeplakt en glad gestreken. Verder dient er om de 600 mm een trekband van minimaal 10 mm breed om de isolatie te worden aangehaald.

2.8.2.2 Het thermisch isoleren met behulp van kunststof schuimrubber op basis van synthetisch rubber (elastomeer)

Deze manier van isoleren wordt uitsluitend inpandig toegepast. Rechthoekige en ronde metalen kanalen worden bij grotere temperatuursverschillen (bijvoorbeeld buitenlucht aanzuigkanalen) of bij in het zicht lopende kanalen uitwendig geïsoleerd met behulp van bovengenoemd isolatiemateriaal. Dit materiaal is, afhankelijk van fabrikaat en optredende temperatuursverschillen, in diverse dikten verkrijgbaar. Dit isolatiemateriaal is te verkrijgen zonder en met een zelfklevende folie. Om een juiste isolatie te verkrijgen worden de ophangconstructies, zowel bij rechthoekige als ronde kanalen buiten de isolatie gehouden. Verder wordt er over de kanaalflenzen altijd een aparte strook van dezelfde isolatiedikte gelijmd.

2.8.2.2.1 Eigenschappen

De isolatie dient minimaal te voldoen aan de volgende eisen:

  • onbrandbaar, volgens DIN 4102, klasse A2 en brandvoortplanting volgens NEN-EN 13501, klasse 1;
  • rookgetal: ≤ 1 (rookdichtheid verwaarloosbaar);
  • praktisch brandgedrag: zelfdovend, niet afdruipend en niet brandgeleidend.

2.8.2.2.2 Verwerking

De isolatie moet op de volgende lengte worden afgesneden:
Voor rechthoekig kanaal:

  • Alle zijden worden afgesneden op maat van de zijde + 1x isolatiedikte.

Voor een rond kanaal:

  • L= (diameter kanaal + 2x isolatiedikte) x 3,14.

2.8.2.2.3 Plakken en afwerken

Zowel bij rechthoekige als ronde luchtkanalen worden de isolatieplaten in principe over het gehele oppervlak verlijmd met een door de leverancier van de isolatie bijgeleverde lijm. Alle stootranden moeten goed worden aangedrukt en dus ook goed worden verlijmd. Dit geldt ook bij gebruik van platen met een zelfklevende laag. De te verlijmen oppervlakken dienen stof- en vetvrij te zijn. Deze isolatievorm behoeft niet nader te worden afgewerkt met tapes of plakpennen.

2.8.2.3 Thermische isoleren met behulp van glaswol- of steenwoldekens, afgewerkt met aluminium beplating

2.8.2.3.1 Algemeen

Voor het aanbrengen van de mineraalwol deken wordt verwezen naar hoofdstuk 2.8.2.1.

2.8.2.3.2 Aanbrengen van aluminium beplating

Uitwendig geïsoleerde kanalen in de buitenlucht kunnen worden afgewerkt met (stuco) aluminium beplating. In de kustgebieden wordt hiervoor de zeewaterbestendige kwaliteit (AlMg 3/ ENAW 5754) aanbevolen. Nadat de metalen luchtkanalen op het dak of langs een gevel in de buitenlucht zijn gemonteerd, wordt de uitwendige isolatie met het vereiste materiaal en dikte aangebracht. Aansluitend wordt dan de aluminium beplating aangebracht. De dikte van de aluminium plaat is minimaal 0,8 mm. Het aanbrengen van de beplating geschiedt door middel van overlapping van de naast elkaar gelegen platen. Deze platen worden voorzien van zogenaamde rillen die ca. 20 à 25 mm van het plaateinde in de plaat worden gerild. Deze rillen worden op elkaar gelegd en aan elkaar bevestigd met minimaal 13 x 3 mm RVS plaatschroeven (8 st/m) met schroefdraad tot onder tegen de kop. I.p.v. plaatschroeven kan er ook gekozen worden voor popnagels (alu/alu uitvoering). Echter montage en demontage is bij toepassing van popnagels arbeidsintensiever. De beplating wordt strak om de isolatie aangebracht, zodanig overlappend en afwaterend dat inregenen en lekkage niet mogelijk zijn. Hiertoe worden alle naadverbindingen in het plaatwerk tijdens of na montage van de aluminium beplating met transparante siliconenkit regendicht afgekit. Om een strak geheel te krijgen (vooral bij grotere kanalen), bestaat de mogelijkheid om tijdens het isoleren verstevigingsstrippen van aluminium op het kanaal te bevestigen. De aluminium beplating kan dan op deze strippen worden vastgezet. Hierbij dient men er op te letten dat de aluminium strippen niet rechtstreeks op het staal worden bevestigd. Dit in verband met het gevaar voor elektrolytische spanningscorrosie. Een oplossing hiervoor is om tussen het kanaal en de verstevigingsstrip kit, verf of een tape aan te brengen.