Luka Handboek - Nederlandse vereniging van Luchtkanalenfabrikanten

[2.4.1] Rechthoekige kanalen van hard kunststof

2.4.1.1 Plaatkwaliteit

Duurzame en betrouwbare luchtkanalen zijn onontbeerlijk. Kunststoffen scoren wat betreft deze 2 criteria goed en zijn bijgevolg ook uitermate geschikt voor ventilatietoepassingen. De volgende kunststoffen komen in aanmerking voor de vervaardiging van luchtkanalen: PVC, PVC-C, HDPE, PP en PP-S. Deze kunststoffen zijn chemisch- en corrosiebestendig. Hierdoor komen ze ook in aanmerking voor de afzuiging van agressieve dampen en stoom.

PVC: PVC is uitermate geschikt voor corrosieve en agressieve omstandigheden. Verwerking gebeurt door middel van lijmen of draadlassen.

PVC-C: PVC-C heeft een hoge chemische bestendigheid en een betere temperatuursweerstand dan PVC. Verwerking gebeurt meestal door middel van lijmen.

HDPE: HDPE is een inert materiaal dat goed bestand is tegen abrasieve en corrosieve stoffen. HDPE heeft een zeer glad oppervlak en is vrij slagvast. Verwerking gebeurt door middel van lassen.

PP en PP-S: De industrieel gebruikte PP-buis wordt geleverd in een lichtgrijzebeige kleur RAL 7032. Dunwandige PP-buizen worden aangewend voor lage druk ventilatietoepassingen. PP-S is een moeilijke ontvlambaar polypropyleen met zelfdovende eigenschappen. Deze buizen hebben een grijze kleur volgens RAL 7037. Verwerking gebeurt door middel van lassen.

2.4.1.2 Wanddikte

Kunststof luchtkanalen worden uitgevoerd in een wanddikte die afhankelijk is van de grootste kanaalzijde, zoals onderstaand gespecificeerd. De luchtkanalen worden bij deze dikten zo gefabriceerd, dat voldoende stijfheid tegen vervormingen aanwezig is. Uitgaande van de grootste kanaalzijde geldt als minimale wanddikte:
h2_2_4_1_1

2.4.1.3 Verbindingen

De diverse kunststoffen zijn te verbinden op de volgende manieren:

  • PVC: gelijmd, gelast of mechanisch verbonden;
  • PVC-C: gelijmd of mechanisch verbonden;
  • HDPE: gelast of mechanisch verbonden;
  • PP: gelast of mechanisch verbonden;
  • PP-S: gelast of mechanisch verbonden.

2.4.1.4 Dwarsverbindingen

Onderlinge dwarsverbindingen van luchtkanalen worden uitgevoerd door middel van uit strip of hoekprofiel gevormde flenzen, die deugdelijk op de kanalen worden bevestigd. De kwaliteit en de dikte komen overeen met die van het materiaal waaruit het luchtkanaal is vervaardigd. De onderlinge bevestiging vindt plaats met behulp van bevestigingsmiddelen en afdichtingstape, die voldoende chemisch bestendig zijn en een voldoende luchtdichtheid waarborgen. Dwarsverbindingen, door middel van verbindingsstukken tot stand gebracht, worden bij inwendige uitvoering steeds gelast. Uitwendige verbindingsstukken worden bij toepassing van PP en HDPE steeds gelast en bij toepassing van PVC-C ook gelijmd. Bij een kanaalzijde van 600 mm en groter worden tevens inwendige verstijvingen aangebracht. Dwarsverbindingen, met behulp van expansiestukken uit zacht PVC, worden onderling gelast.

2.4.1.5 Langsverbindingen

Langsverbindingen tussen kanaaldelen onderling worden in principe gelast.

2.4.1.6 Verstijvingen

Luchtkanalen worden met een zodanige stijfheid uitgevoerd, dat hinderlijke vervormingen niet optreden. Uitgaande van toepassing van de aanbevolen minimale plaatdikten volgens 2.4.1.2 worden kanaalvlakken en kanaalstukken waarvan de breedte > 300 mm verstijfd. Wanneer de breedte > 600 mm worden vlakken met een wandoppervlakte van meer dan 1 m² extra verstijfd met op- en ingelaste strippen of worden in de kanaalstukken ronde afstandhouders, uit gelijkwaardige kunststof, geplaatst. Bij een breedte van meer dan 1000 mm worden vlakken met een wandoppervlak van meer dan 0,7 m² ook extra verstijfd.

2.4.1.7 Uitvoeringsmogelijkheden

Voor de uitvoeringsmogelijkheden van kunststof luchtkanalen wordt verwezen naar 2.4.1.1. Belangrijk is dat de materiaalkeuze in overleg met de leverancier wordt gemaakt.

2.4.1.8 Afmetingen

De nominale maten van de luchtkanalen worden in mm aangegeven en hebben betrekking op de uitwendige afmetingen met een tolerantie van ± 2 mm tot en met een zijde van 1000 mm. De afmetingen zijn gestandaardiseerd overeenkomstig de afmetingen van rechthoekige metalen kanalen. Zie 2.1.1.6.

2.4.1.9 Zichtwerk

Indien in een luchttechnische installatie een deel van het luchtkanaalsysteem dient te worden uitgevoerd als “zichtwerk”, zal dit worden uitgevoerd zoals het overige kanaalwerk, tenzij dit in het bestek cq. uitvoeringsspecificatie anders is vermeld. Bij kanaalwerk, aangemerkt als zichtwerk, zullen uitwendig aangebrachte stickers en aanduidingen worden verwijderd, terwijl de vereiste luchtdichtheid door inwendig kitten zal worden verkregen. Aanvullende maatregelen in het kader van zichtwerk behoren normaliter niet tot de standaard uitvoering.

2.4.1.10 Bochten

Symmetrische bochten
Wat vorm betreft worden symmetrische bochten in principe rond uitgevoerd,dat wil zeggen met een binnen- en buitenstraal; (bij vloer of wandsparingen waar geen ruimte is voor een binnenstraal mag een haakse binnenbocht worden toegepast of om productietechnische redenen); de binnenstraal is 100 mm of groter. Teneinde de weerstand in een bocht te beperken, worden bochten van schoepen voorzien. Schoepen ontbreken bij:

  • bochten van 45° of kleiner;
  • kanalen met een breedte van 400 mm of kleiner.

De plaats van de schoepen wordt bepaald volgens de onderstaande tabel.

h2_2_1_1_8b

Verlopende bochten
Bij verlopende bochten is de kleinste kanaalbreedte maatgevend voor het aantal schoepen, conform bovenstaande tabel. De verhouding voor de plaats van de schoepen van de grootste kanaalbreedte is dan gelijk aan de verhouding voor de schoepen van de kleinste kanaalbreedte.

Uitvoering schoepen
De schoepen worden uitgevoerd in enkele plaat. Het plaatmateriaal is gelijk aan het materiaal waaruit het kanaal is vervaardigd. De uitvoering en bevestiging zijn van voldoende sterkte.

2.4.1.11 Verloopstukken

Verloopstukken worden zo uitgevoerd, waarbij de tophoek α in principe maximaal 60° mag bedragen.

2.4.1.12 Aftakkingen

Een aftakking (afsplitsing van een doorgaand hoofdkanaal) kan tot stand worden gebracht door middel van een stromend hulpstuk in rechthoekige of ronde uitvoering. Luchttechnische aspecten bepalen mede de typen, zoals de onderstaande afbeeldingen weergeven.

2.4.1.13 Splitsingen

Een splitsing is een deling van een hoofdkanaal in twee doorgaande kanalen.
Enkele voorbeelden van splitsingen zijn:

2.4.1.14 Instelkleppen

Instelkleppen worden handinstelbaar uitgevoerd en dienen om een installatie in te regelen. Ze zijn voorzien van een deugdelijke vastzetinrichting, waaruit tevens de klepstand blijkt. Het klepblad, van hetzelfde materiaal als het luchtkanaal, wordt uitgevoerd in enkele plaat met een dikte van tenminste 4 mm tot een maximale bladbreedte B van 300 mm en tot een maximale oppervlak van 0,09 m².

2.4.1.15 Rookontwikkeling, brandvoortplanting en brandbaarheid

PVC: moeilijk ontvlambaar, zelfdovend volgens DIN 4102/klasse B1
PVC-C: moeilijk ontvlambaar, zelfdovend volgens DIN 4102/klasse B1
HDPE: normaal ontvlambaar, niet zelfdovend volgens DIN 4102/klasse B2
PP: normaal ontvlambaar, niet zelfdovend volgens DIN 4102/klasse B2
PP-S: moeilijk ontvlambaar, zelfdovend volgens DIN 4102/klasse B1

2.4.1.16 Bedrijfstemperatuur

De maximale bedrijfstemperatuur voor PVC kanalen bedraagt 60°C.
De maximale bedrijfstemperatuur voor PVC-C kanalen bedraagt 90°C.
De maximale bedrijfstemperatuur voor HDPE kanalen bedraagt 70°C.
De maximale bedrijfstemperatuur voor PP kanalen bedraagt 100°C.
De maximale bedrijfstemperatuur voor PP-S kanalen bedraagt 100°C.