Luka Handboek - Nederlandse vereniging van Luchtkanalenfabrikanten

[2.3.1] Rechthoekige kanalen van roestvast staal

2.3.1.1 Plaatkwaliteit

Voor het vervaardigen van roestvast stalen rechthoekige luchtkanalen wordt in het algemeen plaat toegepast in de kwaliteit X 5 CrNi-18-10-1.4301 volgens NEN-EN 10088-2 (AISI 304). Voor specifieke toepassingen kan roestvast staal in de kwaliteit X 5 CrNi-18-10-1.4404 volgens NEN-EN 10088-2 (AISI 316) worden toegepast.

2.3.1.2 Plaatdikte

Roestvast stalen luchtkanalen worden uitgevoerd in een plaatdikte die afhankelijk is van de grootste kanaalzijde, zoals onderstaand gespecificeerd. De luchtkanalen
worden bij deze dikten zo gefabriceerd, dat voldoende stijfheid tegen vervormingen en hinderlijke trillingen aanwezig is. Uitgaande van de grootste kanaalzijde geldt als minimale plaatdikte:
h2_2_3_1_2
Uit technische overwegingen worden dikten groter dan 1,00 mm vermeden.

2.3.1.3 Dwarsverbindingen

Bij rechthoekige luchtkanalen kunnen verschillende typen dwarsverbindingen worden toegepast. Deze zijn bedrijfsgebonden, waarbij de kwaliteit van de plaat waaruit de verbindingsprofielen worden gevormd tenminste voldoet aan die van het materiaal waaruit het kanaal is vervaardigd. Deze dwarsverbindingen kunnen (afhankelijk van het bedrijf) aan het kanaal aangewalst zijn of door middel van doordrukkingen, puntlassen, parkers of popnagels aan het kanaal worden bevestigd. De dwarsverbindingen worden met clips, schuiflijsten of klemmen met een maximale hart-op-hart afstand van 500 mm gekoppeld (zie afbeelding). De bevestigingsmiddelen in RVS uitvoering. Tussen de dwarsverbindingen wordt ten behoeve van de luchtdichtheid een afdichtband met gesloten celstructuur aangebracht, waarbij de minimale afmeting B x H = 18 x 4 mm en alle vier de hoeken worden voorzien van RVS bouten en moeren, minimaal M 6 x 20. Indien over de volle kanaalomtrek schuiflijsten worden toegepast, kunnen de bouten en moeren op de hoeken vervallen. Daar waar nodig wordt ten behoeve van de luchtdichtheid in- of uitwendig plastisch blijvende kit aangebracht.

2.3.1.4 Langsverbindingen

Langsverbindingen tussen kanaaldelen onderling worden in principe in een felsverbinding uitgevoerd. Daar waar nodig wordt ten behoeve van de luchtdichtheid in- of uitwendig plastisch blijvende kit aangebracht.

2.3.1.5 Verstijvingen

Luchtkanalen worden met een zodanige stijfheid uitgevoerd dat hinderlijke trillingen en vervormingen niet optreden. Uitgaande van toepassing van de aanbevolen minimale plaatdikten volgens 2.3.1.2, geldt dit voor rechthoekige metalen kanalen voor zover de grootste zijde van de dwarsdoorsnede is ≤ 400 mm. Wordt deze afmeting overschreden, dan zijn extra voorzieningen vereist. De mate van overschrijding is bepalend voor de uitvoeringsvorm van de voorzieningen. Voor kanalen met een zijde van > 400 en ≤ 800 mm zijn de uitvoeringsvormen voor de betreffende kanaalwandvlakken:

  • cross-breakings: normaal naar buiten gerichte kruislingse doordrukkingen;
  • rillen of zettingen: veelal aangebracht dwars op de lengterichting van het kanaal, met een onderlinge afstand van ten hoogste 500 mm.

Voor kanalen met een zijde > 800 mm gelden voor de betreffende kanaalwandvlakken de eerder vermelde uitvoeringsvormen, waarbij vlakken met een oppervlak groter dan 1,5 m² extra worden verstijfd door onderverdeling hiervan in deelvlakken van ten hoogste 1 m². Deze extra verstijvingen in de vorm van strippen, profielen, buizen of platen worden in- of uitwendig aangebracht.

2.3.1.6 Afmetingen

De nominale maten van de luchtkanalen worden in mm aangegeven en hebben betrekking op de inwendige afmetingen met een tolerantie van +0 tot -4 mm. De afmetingen zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 1505 en kunnen gekozen worden als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen.

2.3.1.7 Zichtwerk

Als in een luchttechnische installatie een deel van het luchtkanaalsysteem dient te worden uitgevoerd als “zichtwerk”, zal dit worden uitgevoerd zoals het overige kanaalwerk, tenzij dit in het bestek c.q. de uitvoeringsspecificatie anders is vermeld. Bij kanaalwerk, aangemerkt als zichtwerk, zullen uitwendig aangebrachte stickers en aanduidingen worden verwijderd, terwijl de vereiste luchtdichtheid door inwendig kitten zal worden verkregen. Aanvullende maatregelen in het kader van zichtwerk behoren normaliter niet tot de standaard uitvoering.

2.3.1.8 Bochten

Symmetrische bochten
Wat vorm betreft worden symmetrische bochten in principe rond uitgevoerd, dat wil zeggen met een binnen- en buitenstraal; (bij vloer of wandsparingen waar geen ruimte is voor een binnenstraal mag een haakse binnenbocht worden toegepast of om productie technische redenen); de binnenstraal is 100 mm of groter. Teneinde de weerstand in een bocht te beperken, worden bochten van schoepen voorzien. Schoepen ontbreken bij:

  • bochten van 45° of kleiner;
  • kanalen met een breedte van 400 mm of kleiner.

De plaats van de schoepen wordt bepaald volgens de onderstaande tabel.

h2_2_1_1_8b

Verlopende bochten
Bij verlopende bochten is de kleinste kanaalbreedte maatgevend voor het aantal schoepen, conform bovenstaande tabel. De verhouding voor de plaats van de schoepen van de grootste kanaalbreedte is dan gelijk aan de verhouding voor de schoepen van de kleinste kanaalbreedte.

Uitvoering schoepen
De schoepen worden uitgevoerd in enkele plaat. Het plaatmateriaal is gelijk aan het materiaal waaruit het kanaal is vervaardigd. De uitvoering en bevestiging zijn van voldoende sterkte, terwijl de schoepeinden zijn verstijfd.

2.3.1.9 Verloopstukken

Verloopstukken worden zo uitgevoerd, waarbij de tophoek α in principe maximaal 60° mag bedragen.

2.3.1.10 Aftakkingen

Een aftakking (afsplitsing van een doorgaand hoofdkanaal) kan tot stand worden gebracht door middel van een stromend hulpstuk in rechthoekige of ronde uitvoering. Luchttechnische aspecten bepalen mede de typen, zoals de onderstaande afbeeldingen weergeven.

2.3.1.11 Splitsingen

Een splitsing is een deling van een hoofdkanaal in twee doorgaande kanalen.
Enkele voorbeelden van splitsingen zijn:

2.3.1.12 Instelkleppen

Instelkleppen worden handinstelbaar uitgevoerd en dienen om een installatie in te regelen. Ze zijn voorzien van een deugdelijke vastzetinrichting, waaruit tevens de klepstand blijkt. Het klepblad, van hetzelfde materiaal als het luchtkanaal, wordt uitgevoerd in een enkele plaat met een dikte van tenminste 0,8 mm (uitgevoerd volgens onderstaande tekening) tot een maximale bladbreedte (B) van 300 mm en tot een maximale oppervlakte van 0,09 m². Bij de klepbladen worden de randen evenwijdig aan de asrichting afgerond en verstijfd.

2.3.1.13 Toleranties

De maximale tolerantie voor de lengte van een recht kanaal is ± 0,005 x L.
De tolerantie voor de rechthoekige afmetingen is + 0 tot - 4 mm. De maximale tolerantie voor hoeken is ± 2° en verstijfd.