Luka Handboek - Nederlandse vereniging van Luchtkanalenfabrikanten

[2.10.1] Montagevoorschriften

2.10.1 Algemeen

In het kader van de overeenkomst tussen Luka en TÜV Rheinland Nederland B.V. is de controle op de fabricage en montagekwaliteit door TÜV Rheinland Nederland B.V. gewaarborgd. Veiligheid, gezondheid en milieu zijn ook bij montagewerkzaamheden belangrijke onderwerpen. Conform de Arbeidsomstandighedenwetgeving en de VCA checklist hebben de verschillende partijen op de bouw een eigen specifieke verantwoordelijkheid. Zo is de hoofdaannemer eindverantwoordelijke voor de veiligheid op het project en het beschikbaar stellen van algemene faciliteiten en veiligheidsvoorzieningen. De Luka-leden hebben, als onderaannemer, onder andere de verantwoordelijkheid voor het juist handelen van hun medewerkers en hen te voorzien van de juiste middelen. Doorgaans wordt dit alles vastgelegd in een projectplan. De Luka-leden stellen, indien gewenst en eventueel in overleg met de opdrachtgever, een bedrijfseigen projectplan ter beschikking. Dit plan dient als onderdeel van het totale projectplan dat door de hoofdaannemer beschikbaar wordt gesteld.

2.10.2 Transport en opslag

Het transport van luchtkanalen dient op een verantwoorde wijze plaats te vinden, zodanig dat transportschade wordt voorkomen. Het verdient aanbeveling voor het transport van ronde hulpstukken gebruik te maken van dozen, netzakken, bundels, kratten of containers. Luchtkanalen zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandeling. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Beschadigingen aan verbindingsprofielen bij rechthoekige kanalen en aan de randen van ronde kanalen, verhogen de kans op luchtlekkages. Om beschadigingen zoveel mogelijk te voorkomen, verdient het aanbeveling de leveringen op de bouwplaats nauw aan te laten sluiten op de voortgang van de montage. Beschadigingen zullen als volgt behandeld worden:

  • krassen die geleid hebben tot een plaatselijke verwijdering van de zinklaag worden ter plaatse behandeld met een corrosiewerende zinkstofverf;
  • deuken in het kanaal, welke de doorlaat verminderen worden ter plaatse teruggebracht zodat de vrije doorlaat van het kanaal voor minimaal 95 % gewaarborgd blijft;
  • verbindingen welke zijn beschadigd worden dusdanig hersteld dat de voorgeschreven constructiesterkte en luchtdichtheid overeenkomstig deze uitvoeringsspecificatie gewaarborgd blijft.

Indien er besteksmatig geen omschrijving gegeven is (zie 2.12) kan de opslag op de bouwplaats zowel in de open lucht als in de ruwbouw plaatsvinden. In beide gevallen dienen de kanalen op een droge ondergrond te worden opgeslagen. Bij plaatsing in de open lucht dienen de kanalen tegen extreme weersinvloeden en vervuiling te worden beschermd. Het is gewenst de luchtkanalen en hulpstukken, na aflevering op de bouwplaats, met behulp van een kraan of bouwlift zo dicht mogelijk bij de plaats van montage op te slaan.

2.10.3 Montagevoorschriften rechthoekige en ronde luchtkanalen

Bij aanvang van elke montage dient de leidinggevende monteur in het bezit te zijn van montagetekeningen c.q. materiaallijsten. Tevens dient de montageleiding uitleg te geven over de inhoud van de montagevoorschriften en de specifieke voorschriften die gelden voor de bouwlocatie.

2.10.3.1 Ophanging en ondersteuning van ongeïsoleerde rechthoekige metalen kanalen

De luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal. De meest voorkomende constructies zijn:

  • consoles, verzinkt of tenminste met zinkstof verf afgewerkt, die voor bevestiging tegen een bouwkundige constructie worden toegepast;
  • ophangconstructies, die een zodanige sterkte hebben dat het totale gewicht van de luchtkanalen, inclusief de tussen gebouwde appendages, door draadstangen naar de bouwkundige ophangpunten wordt overgebracht;
  • kanaalhoeken met rubber inlage.

De ophanging moet samengesteld worden uit een onderbeugel van sendzimir verzinkt materiaal, voorzien van vilt of P.E.-band met minimale afmetingen van 18 x 4 mm, met draadstangen minimaal M6, direct langs het kanaal. De afstand tussen deze draadstangen en de kanaalwand is maximaal 50 en minimaal 15 mm. De beugels, met een onderlinge afstand van maximaal hart-op-hart 3 meter, kunnen worden uitgevoerd in een profielvorm, dan wel in een standaard handelsprofiel van voldoende sterkte, waardoor voldoende stijfheid wordt verkregen. Zie tabel hieronder.

h2_2_10_3_1

2.10.3.2 Ophanging en ondersteuning van schachtkanalen

Bij schachtkanalen kan gebruik worden gemaakt van consoles tegen de wand, dan wel profielen aan de kanalen, die worden afgesteund op de vloer. De stalen constructies worden minimaal corrosiewerend uitgevoerd.

2.10.3.3 Ophanging en ondersteuning bij na-isoleren van kanalen

Indien het kanaalwerk na het monteren uitwendig wordt geïsoleerd, moeten tussen de onderbeugel en het kanaal MDF-afstandblokjes 50 x 50 x 25 of harde persing isolatiestroken van 100 x 25 mm zijn aangebracht.

2.10.3.4 Ophanging en ondersteuning van ronde metalen kanalen

Ronde luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en
constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal. De meest voorkomende constructies zijn:

  • consoles, verzinkt of tenminste met zinkstof verf afgewerkt, die voor bevestiging tegen een bouwkundige constructie worden toegepast;
  • ophangconstructies, die een zodanige sterkte hebben dat het totale gewicht van de luchtkanalen, inclusief de tussen gebouwde appendages door draadstangen naar de bouwkundige ophangpunten wordt overgebracht.

De beugels bij buizen met een diameter van ≥ 450 mm moeten worden uitgevoerd als tweepuntsophanging met een boven- en onderbeugel. Tussen de beugel en het
luchtkanaal dient vilt of P.E.-band met minimale afmetingen van 18 x 4 mm te worden toegepast. Voor kleinere diameters wordt volstaan met éénpuntsbeugels uit sendzimir verzinkt staalband of gaatjesband, voorzien van vilt of P.E-band met de minimale afmeting van 18 x 4 mm, of met geplastificeerd gaatjesband met éénpuntsophanging. Daarnaast kunnen standaard beugels met rubber inlage worden toegepast. De maximale hartafstand van de beugels onderling is 3 meter. Bij schachtkanalen kan gebruik worden gemaakt van consoles tegen de wand, dan wel profielen aan de kanalen, die worden afgesteund op de vloer. De stalen constructies worden corrosiewerend uitgevoerd.

2.10.3.5 Ophanging en ondersteuning van rechthoekige kunststof, mineraalwol en hardschuim kanalen.

Rechthoekige luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal. De meest voorkomende constructies zijn:

  • consoles, verzinkt of tenminste met zinkstof verf afgewerkt, die voor bevestiging tegen een bouwkundige constructie worden toegepast;
  • ophangconstructies, die een zodanige sterkte hebben dat het totale gewicht van de luchtkanalen, inclusief de tussen gebouwde appendages, door draadstangen naar de bouwkundige ophangpunten wordt overgebracht.

De ophanging samen te stellen uit een boven- en onderbeugel met draadstangen minimaal M6, direct langs het kanaal. De afstand tussen deze draadstangen en de kanaalwand is maximaal 50 en minimaal 15 mm. De beugels, met een onderlinge afstand van maximaal 3 meter hart-op-hart, moeten worden uitgevoerd in profielvorm, dan wel in een standaard handelsprofiel van voldoende sterkte, waardoor voldoende stijfheid wordt verkregen. Zie tabel hieronder.

h2_2_10_3_5

2.10.3.6 Ophanging en ondersteuning van ronde kunststof kanalen

Deze luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal.

2.10.3.7 Ondersteuning dakkanalen

Dakkanalen steunen, door middel van weersbestendige ondersteuningsprofielen, op de door de bouwkundig aannemer aangebrachte dakvoorzieningen. Deze ondersteuningen
staan in lengterichting maximaal 2,5 meter hart-op-hart.
Dakkanalen met een open einde (aanzuig- en afblaaskanalen) dienen ter voorkoming van stormschade verankerd te worden aan een door derden aangebrachte bouwkundig voorziening welke onderdeel is van de algehele dakconstructie.

2.10.4 Ophanging van luchtkanalen en appendages met flexibele ophangsystemen.

Naast ophanging en montage met draadstangen worden ook flexibele ophangsystemen toegepast. Anders dan bij ophanging en montage met draadstangen is de draadstang vervangen door een flexibel ophangmedium zoals staalkabel of band en is de bout / moer bevestiging en borging vervangen door een kleminrichting. Reden voor toepassing van deze ophangsystemen zijn veelal esthetica, snellere ophanging en aanpassingsmogelijkheden.

De Luka adviseert bij gewenste toepassing van flexibele ophangsystemen voor luchtkanalen en appendages de gelijkwaardigheid van deze systemen te controleren ten opzichte van de hiervoor omschreven ophanging met draadstangen op de volgende elementen:

  • Brandwerendheid ophangmateriaal;
  • Draagkracht ophangmateriaal;
  • Molest risico ophangmateriaal;
  • Duurzame borging van kleminrichting;
  • Risico van beschadiging en vervorming luchtkanalen, appendages en
    isolatie.